Het is een grote, gevarieerde familie.
De grootte varieert van 13 cm tot een meter. Vaak zijn de leefgebieden van de mannetjes groter dan die van de vrouwtjes:
Het gebied van de mannetjes overlapt die van meerdere vrouwtjes.
De aantallen van de meeste soort lopen parallel aan die van hun prooi (zoals bij de meeste roofdieren): als de prooi in grote aantallen voorkomt is het roofdier er ook meer dan wanneer er weinig prooidieren zijn.
De bekende dieren uit de groep zijn de otters en de wezels, maar ook het stinkdier hoort in deze groep thuis.
Marterachtigen

De bunzing De hermelijn De wezel De das

De boommarter De Steenmarter De Veelvraat
De Otter

De hermelijn behoort tot de familie der marterachtigen.
Wat uiterlijk betreft lijkt deze soort veel op de wezel , maar hij is duidelijk groter en heeft een langere staart met lange haren en een zwarte (pluim)punt. De rug is grijs- of beige bruin en de buik is wit of geel. De scheidingslijn tussen rug- en buikzijde loopt recht. De oren hebben een lichte rand. Hermelijnen kunnen in de winter geheel of gedeeltelijk wit worden, maar de staartpunt blijft altijd zwart.
Leefgebied
De hermelijn komt in grote delen van Europa voor, behalve in het zuiden.
Het dier leeft in zeer verschillende gebieden, van beboste terreinen en houtwallen tot polders. In vergelijking met de wezel houdt de hermelijn zich op in vochtiger terrein, zoals slootkanten en rietvelden.
Hij verschuilt zich onder boomwortels, in oude konijnen- of rattenholen, in houtstapels, nisjes en boomholtes.
Leefwijze
De hermelijn is zowel 's nachts als overdag actief. Hij eet voornamelijk woelmuizen, woelratten en konijnen. Daarnaast eet hij vogels en heel af en toe vogeleieren. Net als de wezel bewaart de hermelijn soms gedode en half opgegeten prooidieren.
Na een draagtijd van 10 weken worden in april of mei 4 tot 8 naakte en blinde jongen geboren. De paring heeft al in het voorjaar van het vorige jaar plaatsgevonden!
Hermelijn in winterkleed.
Terug naar top
Gelukkig is de algemene attitude van de mens ten opzichte van marterachtigen in de loop der tijd veranderd. Niet langer worden zij door de mens vervolgd; de mens is nu zelfs zijn beschermer. Enkel ratten en huismuizen mag men nog bestrijden, voor alle andere zoogdieren geldt dat men ze met rust moet laten. Wezels hebben nu dan ook volop de mogelijkheid te leven in de natuurlijke en semi-natuurlijke landschappen die Nederland rijk is. En als het goed met ze blijft gaan, krijg je vast nog eens de kans een wezeltje te zien op het zandpad op een mooie zondagochtend. Dan wellicht wel in volle glorie.
Paspoort van de wezel
| Wetenschappelijke naam: |
Mustela nivalis L. |
| Orde: |
Roofdieren (Carnivora) |
| Familie: |
Marters (Mustelidae) |
| Uiterlijk: |
Slank, langgerekt met korte poten. Bovenzijde roodbruin, onderzijde wit. Staart geheel roodbruin. Aan de mondhoek vaak een bruin vlekje. |
| Lengte: |
17-23 cm. Rammen groter dan moertjes. |
| Gewicht: |
Rammen: 75-130 gram. Moertjes: 45-75 gram. |
| Voortplanting: |
Geen bepaalde paartijd. Draagtijd 35 dagen. 5-7 jongen, worden 4 weken gezoogd. Tot drie worpen per jaar. |
| Voedsel: |
Voornamelijk muizen (90%), kleine vogels, eieren, kikkers. |
| Verspreiding: |
Europa, Noord-Afrika, Azië en Noord-Amerika. |
| Leefgebied: |
Meerdere hectares. Territoria rammen overlappen meerdere territoria moertjes. Prefereren beschutte plaatsen met dichte begroeiing. Gebruikte holen, stapels hout of stenen dienen als rustplaats. |

S uzanne Tump
Voor Dierennieuws en Stichting de Nederlandse Frettenclub
Website: www.frettenclub.nl
Terug naar top
De das is met zijn lengte van ongeveer één meter het grootste landroofdier van Nederland.
Hij weegt gemiddeld twaalf kilo en kan zo'n 15 jaar oud worden. Het dier ziet eruit als een donkergrijs beertje.
Karakteristiek en opvallend is zijn zwart-witte koptekening. Toch laten dassen zich zelden zien; het zijn stille, schuwe nachtdieren. Onder de grond graven dassen hun burcht, een netwerk van gangen en kamers.
Zo'n burcht kan uitgroeien tot een enorm holenstelsel. De kamers worden gestoffeerd met droog gras, varens en mos. Op grote stortbergen voor de holen ligt de uitgegraven aarde. Haren of pootafdrukken in het zand getuigen er van de aanwezigheid van dassen.
Trouw aan hun woonplaats staat bij dassen voorop. Opeenvolgende generaties bewonen gedurende duizenden jaren dezelfde burcht. Dassenburchten worden gegraven boven het grondwater, en meestal in hellingen.
Heuvels, rivierduinen, bermen van holle wegen en steilrandjes zijn zeer geschikt.
Veel burchten liggen er verscholen onder bomen en struikgewas.
Maar dassen vestigen zich ook in vlak terrein, bijvoorbeeld onder een houtwal of een heg en soms in het open veld. Bij iedere burcht hoort een eigen woongebied. De grenzen van dit territorium worden nauwlettend bewaakt. Behalve trouw aan hun burcht zijn dassen buitengewoon sociaal.
In een burcht kunnen meerdere families samenwonen. In speciale kraamkamers werpen de wijfjes gemiddeld drie jongen per jaar. Na een zoogtijd van een paar maanden leren de jongen hun eigen kostje bij elkaar te scharrelen.
Uiterlijk het volgende voorjaar trekken veel jonge dassen naar een andere burcht, op zoek naar een partner.
Dassen zijn echte alleseters. Een groot deel van hun voedsel halen ze uit het boerenland. 's Nachts speuren dassen er naar regenwormen, kevers, muizen en kikkerdril, valfruit en maïs. Ze eten ook wilde planten, zoals de knolletjes van aronskelk en daslook. Al etend doorkruisen dassen hun woongebied, het liefst onder dekking van heggen, houtwallen en bosranden.
Gewoontegetrouw als ze zijn, gebruiken ze vaak dezelfde paadjes, de zogenaamde dassenwissels. In de eerste helft van deze eeuw is op grote schaal jacht gemaakt op Nederlandse dassen.
De stand daalde van meer dan 12.000 in 1900 naar ongeveer 1200 in 1960. In 1947 is de das onder bescherming van de Jachtwet gebracht. Daarmee werd de dassenjacht stilgelegd. Alleen in geval van schade verleende de overheid een speciale vergunning om dassen te doden. Daarvan werd tot 1960 evenwel gretig gebruik gemaakt. In dat jaar stopte de overheid met de verstrekking van dergelijke vergunningen. In 1980 waren er in heel Nederland nog steeds maar 1200 dassen. Het groeiende autoverkeer zorgde voor steeds meer verkeerslachtoffers, en steeds meer leefgebied werd vernietigd.
Op initiatief van Das&Boom heeft de rijksoverheid toen een beschermingsplan opgesteld om de das voor uitsterven te behoeden. Voorlopig lijkt dat gelukt.
In 2000 is door Das&Boom de landelijke volkstelling onder dassen uitgevoerd in opdracht van de overheid, en het aantal dassen wordt op 3500 geschat.
Bron: Das en Boom
Terug naar top
De boommarter komt hoofdzakelijk voor in afgelegen bossen waar veel schuilplaatsen zijn. Je vindt hem echter ook in rotsige, bosloze streken. Boommarters kiezen hun rustplaatsen vaak in boomholten, konijnenholen, tussen boomwortels of onder takkenbossen.
De boommarter is een nachtdier en is bijgevolg overdag zelden waar te nemen. Hij voelt zich thuis in bomen waar hij met gemak in klimt. Bij een val komt hij, net zoals een kat, altijd op zijn poten terecht. Marters kunnen zwemmen, maar het is niet hun favoriete bezigheid.
Uitzicht
Een boommarter meet 40 - 58 cm, heeft een staartlengte van 20 - 28 cm, weegt 0,9 - 1,8 kg en kan meer dan 10 jaar oud worden.
De vacht van de boommarter kleurt warmbruin. Hij heeft een volle, pluimige staart die bijna een derde van zijn totale lengte in beslag neemt. De lange achterpoten zorgen ervoor dat de rug bij het lopen licht naar voren gebogen is. Op de spitse kop staan vrij grote oren. De poten en de snuit zijn bijna altijd donkerder dan de kastanjebruine vacht. Wijfjes zijn over het algemeen kleiner dan mannetjes. Ze zijn niet groter dan een huiskat.
Voedsel
De boommarter is een jager die zijn prooi meestal op de grond vangt. Hij eet wat hij tegenkomt: insecten, vogels, eieren, kleine zoogdieren en aas. In de nazomer en herfst eet de boommarter ook vaak bessen en vruchten.
Jongen
In maart of april worden na een draagtijd van 8 à 9 maanden twee tot zeven jongen geboren. Het nest zit bij voorkeur in een holle boom, tussen boomwortels en vaak in oude spechtenholen. Na zes weken openen de jongen hun ogen en zijn ze groot genoeg om de buitenwereld te verkennen. Op een leeftijd van een maand of zes worden ze zelfstandig.
Terug naar top
Onze fretjes leiden een waar luxeleven: dagelijks genieten ze van een opgediende maaltijd van hoge kwaliteit, er is altijd iemand die de rotzooi achter ze opruimt en na een
paar uur heerlijk spelen (je moet toch wat met al die vrije tijd) staan de gespreide bedjes al klaar voor het middagdutje.
De neefjes van onze fretten moeten daarentegen nog altijd zelf hun kostje bij elkaar scharrelen en hun eigen onderkomen zien te regelen, in goede en in slechte tijden.
Bunzing, wezel, hermelijn en marter, alle zijn
overgeleverd aan de strenge wetten der natuur. Het lijkt er echter op dat de steenmarter ook graag zijn leven bij ons had willen doorbrengen.
Steeds vaker worden deze diertjes gesignaleerd in schuren en op zolders in ons
land. De steenmarter is een marterachtige en toont veel gelijkenis met de zeldzame boommarter.
Ook de steenmarter is een tijd zeldzaam geweest, in 1975 zelfs bijna uitgestorven, maar is nu duidelijk in opmars. Voornamelijk in de oostelijke provincies treft men hem steeds vaker aan.
De steenmarter is een ware cultuurvolger. Hoewel hij eerder nog de voorkeur gaf aan schuren bij boerderijen schuwt hij nu zelfs huizen in dorpen en steden niet meer.
Dat is toch geweldig zou je denken, dat zo'n prachtige diersoort zich heeft weten te herstellen en weer in Nederland voorkomt. Toch is niet iedereen even gelukkig met zijn terugkomst. Want hoewel het velen van ons geweldig lijkt dit neefje onderdak te bieden om dan met hem te kunnen spelen, zoals een dolenthousiast Gelders gezin werkelijk overkwam, zorgen de marters in woningen toch voornamelijk voor vervelende situaties.
De steenmarter is een ware Poltergeist door zijn nachtactieve levensstijl waarbij ze stommelende geluiden op zolders veroorzaken. Vergelijk een fret die zijn actieve bui 's nachts op je zolder uitleeft en je hebt een levendige voorstelling, want ook steenmarters spelen graag op eenzelfde manier als we van onze fretjes gewend zijn.
En je kunt je wel indenken hoe dat is als het niet om één, maar een hele familie marters gaat die op zolder aan het ravotten is.
Zeker wanneer men nog niet op de hoogte is van de nieuwe bewoners kan dit slapeloze nachten veroorzaken.
Stankoverlast door ontlasting en rottende prooidieren is daarnaast een veel voorkomende klacht, met vaak ook vliegenoverlast als gevolg. Naast zolders betrekken steenmarters ook graag auto's, vooral wanneer de motor nog voor aangename warmte zorgt. Aan deze auto's veroorzaken ze tijdens hun verblijf vaak veel schade door de kabels en de stofhoezen door te bijten.
Voor ons frettenliefhebbers klinkt dat heel logisch, zacht bijtbaar rubber is ook bij onze fretten immers zeer geliefd bijtmateriaal. Hiermee graven de marters echter hun eigen graf, want hoewel ze bij wet beschermd zijn kunnen provincies hier in geval van ernstige schade ontheffing voor geven. En zo'n ontheffing maakt een marter weer een bejaagbare soort, zoals ook het geval bij de 'beschermde' vos.
Hoewel veel gedupeerden blij zullen zijn met aanpak van het probleem, is het bestrijden van de dieren niet de oplossing. Vallen marters uit, dan zullen andere marters al snel de vrijgekomen territoria innemen. Bij overlast door dieren geldt dan ook de gulden regel 'voorkomen is beter dan genezen'. Preventieve maatregelen zoals het dichten van gaten, het onderhouden van de dakbedekking en het binnenplaatsen van auto's zijn noodzakelijk om de dieren uit die plaatsen te weren.
En uiteraard is enige tolerantie jegens dit fantastische diertje bij het uitblijven van ernstige overlast altijd op zijn plaats! Alleen op die manier kunnen we nu en in de toekomst blijven genieten van neef steenmarter in ons eigen Nederland.
Suzanne Tump
Terug naar top
De veelvraat uit de familie der marterachtigen komt in alle noordelijk gelegen landen rondom de noordpool voor. Hij staat bekend als een bijzonder aggressief en wild roofdier.
De vacht van een veelvraat is langharig en dicht. De vacht is zwart-bruin van kleur. Het dier heeft lichte strepen aan de zijkant van het lichaam, op de kop en aan de bovenzijde van de staart. Met zijn lichaamslengte van 70 tot 100 cm en zijn zware lichaamsbouw is de veelvraat in staat dieren te doden die veel groter zijn dan hij. Hij eet knaagdieren en vogels, maar hij schrikt er ook niet voor terug een eland of een ree aan te vallen. Hij vangt ze door zich vanuit een boom of vanaf een rots op hen te storten. Het komt ook voor dat hij de buit van wolven weg rooft terwijl ze ermee aan het eten zijn. Hij jaagt de wolven dan gewoon weg. Door de stank, die hij met zijn geurklieren verspreidt, lukt hem dat ook nog.
Veelvraten leven in een groot territorium. In een territorium wonen een mannetje en twee of drie vrouwtjes.
Een veelvraatvrouwtje brengt in het voorjaar, na een draagtijd van zeven tot negen maanden, twee tot drie jongen in een hol ter wereld.
De jongen, die eerst een lichte vacht hebben, worden ongeveer acht weken gezoogd. Ze blijven twee jaar bij hun moeder, daarna moeten ze hun eigen territorium zoeken.
Veelvraat ( Gulo gulo )
Grootte
In Scandinavië weegt een veelvraat-mannetje 12-18 kilogram. De vrouwtjes zijn iets kleiner en wegen 8-13 kilogram. De grootste mannetjes bereiken een schouderhoogte van 35-45 centimeter en een lengte, gemeten van de punt van de neus tot het begin van de staart, van 80-85 centimeter. De staart is 25-35 centimeter lang.
Voeding
De veelvraat eet zowel vers als verrot vlees met hetzelfde enthousiasme. Hij jaagt zelf, maar eet ook restanten van de prooi van andere dieren of dieren die tengevolge van een ziekte of ongeluk om het leven gekomen zijn. Als de veelvraat zijn maal niet helemaal op kan, dan verstopt hij de rest om later op te eten. In Zweden bestaat het voedsel van de veelvraat 's winters voornamelijk uit rendier. Elanden die door grotere dieren zijn gedood vormen een belangrijke aanvulling op zijn menu. In de zomer bestaat het menu voornamelijk uit kleinere prooidieren zoals haas, vogels, vogeleieren en kleine knaagdieren.
Voortplanting
De paring vindt plaast in de late lente en de zomer van ongeveer juni tot en met juli. Het dan bevruchtte eitje begint zich pas in januari echt te ontwikkelen. In de late winter zoekt het drachtige vrouwtje een plek om haar nest te maken. De jongen worden eind februari, begin maart geboren. Een worp bestaat meestal uit 2-3 jongen. De jongen blijven tot augustus, september bij hun moeder. Onderzoek heeft uitgewezen dat veelvraten zich voortplanten vanaf een leeftijd van 2-3 jaar en om de 2-3 jaar een nest jongen werpen.
Territorium en aktiviteit
De mannetjes hebben een territorium van ongeveer 250-450 km². De vrouwtjes ongeveer 100 km². De veelvraat accepteert indringers van het andere geslacht in zijn / haar territorium. Vrouwtjes met jongen accepteren ook vrouwtjes zonder jongen in hun territorium gedurende de zomer. De veelvraat is zowel overdag als 's nachts aktief.
Verspreidingsgebied in Scandinavië
In Zweden leven naar schatting 280-370 veelvraten in voornamelijk de noordelijke län Norrbotten, Västerbotten, Jämtland en Dalarna. In Noorwegen leven naar schatting 240-300 veelvraten in voornamelijk aan Zweden grenzende gebieden. De laatste vijf jaar is het aantal veelvraten in Scandinavië met 40% gedaald.
Terug naar top

De otter wordt in zoetwatergebieden en ook op rotsige zeekusten aangetroffen. Hij leeft vooral daar waar bomen en struikgewas langs de waterkant hem genoeg bescherming bieden. Watervervuiling en de intensieve jacht met speurhonden, maar ook het oprukkende verkeer hebben ertoe bijgedragen dat de otter bij ons een zeldzaamheid geworden is.
DE OTTER & DE MENS.
De visotter werd vroeger voor zijn pels bejaagd en soms ook uit zijn territorium verjaagd door vissers die hem als concurent zagen. Desondanks bleef de otter populatie vrijwel op niveau. In de late jaren '50 kwam daar plotseling verandering in toen ook het leefgebied van de otter door met pestciden vervuild water ernstig bedreigd werd. de toxische stoffen verzamelden zich in de zoetwatervissen, die op hun beurt de otters weer vergiftigden. Hoewel de visotter al gedurende vele jaren wettelijk beschermd wordt, heeft hun bestand zich nog niet volledig kunnen herstellen. Het oprukkende verkeer vormt ook een ernstige bedreiging voor de otter populatie. Vooral mannetjes die "op patrouille" gaan lopen bijzonder veel gevaar, want zij lopen hun oude routes.

De Europese otter ziet er met zijn zachte kop en onvermoeibare drang tot speelse bewegingen uit als een knuffeldier. Vroeger was hij overal in Europa te vinden, maar tegenwoordig ziet men hem nog maar zelden.
VOEDSEL & JACHTGEWOONTES
De otter eet voornamelijk vis. Hij is bij de jacht niet erg kieskeurig, maar kiest het liefst voor een buit die hij tamelijk makkelijk kan vangen. De otter schijnt het liefst paling te eten. Daarnaast eet de otter ook wel kreeftjes en waterinsekten als die voorhanden zijn, maar ook watervogels, kikkers en zelfs jonge konijntjes. Otters die dichtbij de kust leven, voeden zich verder ook met krabben, grondels en allerlei andere daar levende zeedieren. De otter is onder water uitgesproken behendig. Hij vangt vissen na een achtervolging, waarbij hij zijn prooi vaak op sterk begroeide plek in het nauw drijft, ze van onder aanvalt en met zijn scherpe en krachtige kaken grijpt. De jongen leren met een week of twaalf zwemmen zodra ze hun eerste waterdichte vacht hebben.

De otter is meestal een zeer schuw dier en is s'nacht actief. In ongestoorde gebieden speelt de otter vaak een deel van de dag wat verder weg van het water, echter vlakbij een slaapplaats waar hij gedroodg gras als een bed neergelegd heeft.
VOORTPLANTING.
Otters zijn het hele jaar paringsbereid. Binnen het territorium van een mannetjes leven in de regel twwe of meer vrouwtjes. Zodra zij paringsbereid zijn, zoekt het mannetje hun afwisselend gedurende enkele dagen op in hun hol. de worp, die normaal gesproken uit twee à drie jongen bestaat, wordt in het leger geboren. Dat is een hol onder de grond dat bijvoorbeeld onder de wortels van een boom dicht bij het water gegraven is. Otters betrekken ook weleens uode konijnenholen. De jongen zijn hun eerste zes weken volkomen hulpenloos en overleven en groeien dankzij de moedermelk. Het mannetje speelt geen enkele rol bij het opgroeien. Na acht of negen maanden verwijderen de jongen zich voor het eerst gedurende korte tijd van hun moeder. Met twaalf maanden zijn de jongen volledig zelfstandig. Het spitse toelopende lichaam en de staart maken van de otter een zeer gestroomlijnde verschijning die zich uitstekend leent om onder water te bewegen, tevens zijn zwemvliezen tussen zijn tenen. Als de otter boven water komt en aan land komt vormt zijn dichte vacht kegeltjes waar het water makkelijk van afdruipt. Bij het duiken sluiten de oren en neusgaten van de otter zich automatisch. Zijn ogen blijven echter open, zodat hij zijn prooi kan ontdekken.

In ongeveer de leeftijd van drie maanden leert moeder otter haar jong zwemmen. Het duurt dan toch nog wel even voordat het jong alleen op pad gaat voor de jacht.
LEEFOMGEVING.
de otter is schuw en terughoudend en solitair levend dier dat vooral snachts actief is. Meestal jaagt hij in langzaam stromend water of in overstromings gebieden en hij is soms in één nacht kilometers ver weg op zoek naar voedsel. Zijn sporen zijn in de modderige oevers van beekjes en rivieren te vinden. Daar is hij ook het meest kwetsbaar en raakt hij soms in een val die voor een ander dier werd uitgezet. Zijn solidaire levenswijze maakt dat de otter een groot territorium nodig heeft. De otter controleert het gebied regelmatig en markeert het territorium op verschillende plaatsen met zijn ontlasting. Vrouwtjes met jongen bezitten een kleiner territorium binnen dat van het mannetje.

Verspreidingsgebied van de otter

KORTOM.
* De otter kan 62 tot 83 centimeter groot worden en 30 centimeter hoog.
* De otter kan 6 tot 15 kilo wegen.
* Het mannetje is met 18 maanden geslachtsrijp en het vrouwtje met twee jaar.
* De otter heeft geen paartijd, dit is het hele jaar door. Het vrouwtje is 12 maanden na haar worp weer vrucht- baar.
* Draagtijd is 61 tot 74 dagen.
* De otter heeft meerdere jongen tusen 1 en 6, gemiddeld 2 tot 3 jongen.
* De otter eet vooral vis, soms ook watervogels of kleine konijnen.
* De otter maakt zich hoorbaar door piepen, fluiten, blaffen en grommen.
* De otter kan 9 tot 10 jaar oud worden.
Terug naar top